Epilepsie en toevallen bij katten

Toevallen (aanvallen die optreden als gevolg van abnormale elektrische ontladingen van zenuwcellen in de hersenen) komen voor bij 1-2% van de kattenpopulatie. De indeling in verschillende oorzaken van deze toevallen en de manieren waarop de aanvallen zich kunnen manifesteren is vergelijkbaar met die bij honden. We zien bij katten echter wel een andere verdeling als wordt gekeken naar de meest voorkomende oorzaken en uitingen van de toevallen.

In het verleden zijn er weinig wetenschappelijke artikelen geschreven over de oorzaken en behandelingsmogelijkheden van toevallen bij katten. De laatste jaren is hier gelukkig verandering in gekomen en Sarah Moore, gepromoveerd dierenarts aan de universiteit in Ohio, heeft een uitgebreid artikel geschreven over toevallen bij katten, waarbij de nadruk werd gelegd op de indeling van de toevallen, het klinisch beeld, de diagnostiek en de behandelingsmogelijkheden. De belangrijkste bevindingen hieruit staan hieronder weergegeven.

Indeling en oorzaken van toevallen

Een ‘toeval’ is een aanval die optreedt als gevolg van abnormale elektrische ontladingen in de grote hersenen. De toevallen worden ruwweg in drie categorieën ingedeeld: primaire (genetische) epilepsie, secundaire (structurele) epilepsie en reactieve toevallen. In het geval van ‘epilepsie’ treden herhaald toevallen op. Er zit minimaal 24 uur tussen twee toevallen en er is geen aanwijsbare oorzaak van buiten de hersenen. De reactieve toevallen worden strikt genomen geen epilepsie genoemd, omdat de oorzaak niet in de hersenen ligt.

Bij primaire/genetische epilepsie, ook wel idiopathische epilepsie genoemd, gaat men ervan uit dat de oorzaak van de toevallen erfelijk is. De eerste toeval wordt over het algemeen gezien als de kat tussen de één en zeven jaar oud is en kan dus al op jonge leeftijd optreden. Een diagnose van primaire epilepsie kan enkel worden gesteld als andere oorzaken van epilepsie, zoals hersenaandoeningen en stofwisselingsstoornissen, zijn uitgesloten. Voor een definitieve diagnose zou een genetische merker (onderdeel van het DNA verantwoordelijk voor de toevallen) moeten worden aangetoond. Deze merker is echter enkel bekend voor een aantal hondenrassen, waardoor de diagnose primaire epilepsie altijd een vermoedelijke diagnose blijft. In het verleden werd gedacht dat genetische epilepsie bij de kat nauwelijks voor kwam, omdat enkel bij sommige hondenrassen de verantwoordelijke genetische merker is beschreven. Hoewel er voor katten nog steeds geen genetische merkers bekend zijn, zijn er wel onderzoeken onder kattenpopulaties uitgevoerd waarbij, op basis van uitsluiting van andere oorzaken en het signalement, de diagnose primaire epilepsie de meest logische uitkomst is. Genetische epilepsie komt bij katten minder vaak voor dan bij honden, namelijk bij één op de vier katten die worden aangeboden met epilepsiesymptomen.

In vergelijking met honden lijkt er bij katten vaker sprake te zijn van secundaire epilepsie of reactieve toevallen. Structurele epilepsie, ook secundaire of symptomatische epilepsie genoemd, houdt in dat er een structurele afwijking in de hersenen is die voor de toevallen zorgt, bijvoorbeeld een tumor, beroerte, infectie of aangeboren hersenafwijking. Ten slotte zijn er reactieve toevallen, die ontstaan als gevolg van een algemene aandoening. Officieel worden deze toevallen niet als epilepsie geclassificeerd omdat de oorzaak van de toevallen niet in de hersenen is gelegen. Mogelijke oorzaken zijn bijvoorbeeld vergiftiging, lever- en/of nieraandoeningen, suikertekort, een zeer sterk te snel werkende schildklier of een ernstig verhoogde bloeddruk.

Mogelijke symptomen van toevallen bij katten

In tegenstelling tot honden, die voornamelijk de volledige gegeneraliseerde tonische clonische aanvallen (met krampen, schokken en bewustzijnsverlies) vertonen, laten katten hoofdzakelijk partiële aanvallen zien. Slechts een deel van de hersenen wordt geactiveerd tijdens zo’n aanval, waardoor specifieke gedragingen optreden. Voorbeelden zijn dwangmatig bijten of likken, obsessief rondrennen, overmatig slikken of een plotse onderbreking van het gedrag dat de kat op dat moment vertoonde.

Aanbevolen en mogelijke onderzoeken

Bij katten is uitgebreid onderzoek bij toevallen van belang omdat er, zoals eerder genoemd, meestal sprake is van structurele epilepsie of reactieve toevallen. Een dierenarts kan als eerste een uitgebreid neurologisch onderzoek uitvoeren. Indien er tijdens dit neurologisch onderzoek slechts aan één kant van het lichaam veranderingen optreden, bijvoorbeeld in de dreig- of plaatsingsreflexen, kan dit wijzen op een structurele verandering in de hersenen. Helaas sluit een volledig normaal neurologisch onderzoek symptomatische epilepsie niet uit. Daarnaast kunnen katten die recent een toeval hebben gehad ook afwijkingen laten zien in gedrag of in het neurologisch onderzoek. Het belangrijkste verschil is dat deze gedrags- of neurologische veranderingen vaak symmetrisch zijn; bovendien verdwijnen deze symptomen binnen een aantal dagen na de aanval. Het neurologisch onderzoek kan bij katten niet altijd (volledig) worden uitgevoerd, onder andere vanwege het karakter van de kat of omdat de kat te bang is om door de spreekkamer te lopen.

Naast het neurologisch onderzoek wordt geadviseerd om een screenend hematologisch en biochemisch (inclusief schildklierhormoonbepaling) bloedonderzoek te doen. Indien geïndiceerd kan ook een galzuurbepaling worden uitgevoerd. Indien mogelijk wordt ook een bloeddrukbepaling gedaan, het liefst voordat met andere onderzoeken wordt gestart om een zo betrouwbaar mogelijke meting te krijgen.

Bij katten waarbij geen afwijkingen worden aangetoond in het bloedonderzoek kan een MRI (of CT) scan van de hersenen worden gemaakt om structurele oorzaken vanuit de hersenen aan te tonen of uit te sluiten. Indien ook hierbij geen afwijkingen worden aangetoond kan het hersenvocht nog worden onderzocht op infectieuze oorzaken, zoals Cryptococcus, feline corona virus/feline infectieuze peritonitis (FIP) of toxoplasmose.

Symptomatische behandeling

In principe zijn er vergelijkbare anti-epileptica op de markt voor katten en honden. Een dierenarts moet er echter wel rekening mee houden dat er belangrijke stofwisselingsverschillen zijn tussen katten en honden, waardoor het gebruik en de dosering anders kunnen zijn. In onderstaande tabel is een overzicht te vinden van verschillende veel gebruikte anti-epileptica (in de Verenigde Staten).

Toevallen_meds

Fenobarbital is het eerste keuze anti-epilepticum bij behandeling van toevallen bij katten. De gewenste serumconcentratie (in de tabel therapeutische concentratie genoemd) van 20-30 μg/mL is gebaseerd op gegevens zoals die bij honden bekend zijn. Circa twee tot drie weken na het starten van de behandeling of na een wijziging in de dosering van fenobarbital kan de serumconcentratie worden gemeten. De effectiviteit van een behandeling met fenobarbital ligt bij honden tussen de 60-80% en is bij katten helaas niet bekend. De meest voorkomende bijwerkingen zijn vergelijkbaar met die bij honden, zoals sufheid, toename in drinken, plassen en/of eetlust en gewichtstoename. Vaak verdwijnen deze bijwerkingen binnen een aantal weken. Zeldzamere, maar ernstigere bijwerkingen zijn aantasting van de lever of het beenmerg. Als de behandeling met fenobarbital direct wordt gestopt bij het optreden van ernstige bijwerkingen, zijn deze bijwerkingen vaak wel omkeerbaar.

Zonisamide is in Nederland, in tegenstelling tot in de Verenigde Staten, niet verkrijgbaar als geregistreerd anti-epilepticum voor de kat (of hond), maar kan in de toekomst mogelijk een aantrekkelijk alternatief zijn voor fenobarbital. De halfwaardetijd is 33 uur, waardoor het geschikt zou zijn voor eenmaal daagse toediening. Er lijken ook minder bijwerkingen op te treden dan bij toediening van fenobarbital.

Levetiracetam is eveneens niet in Nederland geregistreerd voor veterinair gebruik, in tegenstelling tot in de VS. Bij honden is bekend dat dit middel voornamelijk in de urine wordt uitgescheiden en dus amper door de lever wordt verwerkt. Men gaat ervan uit de stofwisseling in katten hetzelfde verloopt waardoor het een aantrekkelijk anti-epilepticum zou zijn voor patiënten met leverstoornissen.

Het gebruik van kaliumbromide bij katten wordt afgeraden vanwege de vele bijwerkingen. Een opvallende bijwerking is de ernstige allergische bronchitis die zelfs fataal kan zijn.

In het verleden werd ook diazepam veel als onderhoudsanti-epilepticum gebruikt bij katten, maar dit wordt steeds meer afgeraden vanwege de mogelijkheid op ernstige en soms fatale leverschade (levernecrose) als bijwerking. Bij een spoedgeval zoals status epilepticus (aanhoudende gegeneraliseerde epileptische aanvallen zonder terugkeer van bewustzijn) blijft injecteerbare diazepam wel de eerste keuze behandeling. Bij het gebruik van deze vorm van diazepam is ook nog geen levernecrose gerapporteerd.

Conclusie

Toevallen kunnen bij katten verschillende oorzaken hebben, die hoofdzakelijk worden ingedeeld in primaire epilepsie, secundaire epilepsie en reactieve toevallen. Hoewel van primaire epilepsie eerst werd gedacht dat het niet bij katten voorkwam, blijkt het tegendeel waar te zijn. Deze aandoening komt echter wel minder vaak voor dan bij honden. Aangezien er bij katten met toevallen vaak een onderliggende oorzaak aantoonbaar is, is uitgebreid diagnostisch onderzoek zeker aangewezen. In de Verenigde Staten zijn er meerdere onderhoudsanti-epileptica geregistreerd voor katten die kunnen worden ingezet, maar in Nederland is de keuze momenteel helaas voornamelijk beperkt tot fenobarbital.

Dit artikel is geschreven door Sanne van Aerts (MSc), dierenarts gezelschapsdieren.

Referenties

Bronartikel: Moore SA (2014) Seizures and epilepsy in cats. Veterinary Medicine: Research and Reports 5: 41-47.

Comments are closed