Chronische nierziekte en de risicofactoren

Chronische nierziekte (CNZ) is een van de meest voorkomende aandoeningen bij de oudere kat, waarvan de oorzaak bijna altijd onbekend is.1 De diagnose wordt gesteld door bloedonderzoek, waarbij onder andere naar de creatinineconcentratie wordt gekeken, in combinatie met een urineonderzoek waarbij de concentratie van de urine (het soortelijk gewicht) en daarmee het concentrerend vermogen van de nieren wordt beoordeeld.2 In sommige dierenartsenpraktijken worden deze onderzoeken bij oudere katten elk (half) jaar preventief uitgevoerd. In de vroege stadia van nierziekte is echter nog geen stijging van de creatinineconcentratie in het bloed waarneembaar. De behandeling van nierziekte, die als doelstelling heeft de symptomen en de progressie van de ziekte te verminderen3, heeft een betere kans van slagen als er in een vroeger, minder ernstig stadium van nierziekte een diagnose wordt gesteld4. Doordat de creatinineconcentratie in het bloed een slechte indicatie is voor een vroeg stadium van nierziekte1 blijkt dit echter nog niet zo eenvoudig te zijn. Joseph Greene en zijn collega’s hebben een onderzoek uitgevoerd bij 2460 katten (1230 katten met de diagnose van CNZ en 1230 controles met circa gelijke leeftijd) om risicofactoren te identificeren die worden geassocieerd met de diagnose van chronische nierziekte. Hun hypothese was dat bepaalde klinische eigenschappen, bijvoorbeeld de hoeveelheid gewichtsverlies, zouden verschillen tussen katten die chronische nierziekte ontwikkelen en (oudere) katten die dit niet deden.

Resultaten

Er waren geen significante verschillen tussen de katten met de diagnose CNZ en de controlegroep in leeftijd, geslacht, castratiestatus, vaccinatiegeschiedenis, voeding in het jaar voorafgaand aan het onderzoek en eerder gestelde diagnoses van diabetes mellitus (suikerziekte), overgewicht of obesitas, artritis (gewrichtsontsteking) en voorste luchtweginfecties. De verdeling over de verschillende rassen was ook evenredig, op twee uitzonderingen na: in de groep katten met CNZ waren verhoudingsgewijs meer halflangharige (rasloze) huiskatten en minder kortharige (rasloze) huiskatten.

Na de eerste statistische testen, bleek het gemiddeld gewichtsverlies bij katten met CNZ 10,8% en bij katten zonder CNZ 2,1% te zijn. Dit verschil was significant. Daarnaast was er in de groep katten met CNZ een oververtegenwoordiging van de eerder gestelde diagnoses hypertensie (verhoogde bloeddruk), parodontitis (ontsteking van het weefsel rondom tanden en kiezen), hartaandoeningen (waarbij geen onderscheid werd gemaakt tussen verschillende hartaandoeningen) en cystitis (blaasontsteking).

Op de beschikbare data werd vervolgens een multivariate data analyse uitgevoerd. Deze test wordt uitgevoerd om structuur in de data inzichtelijk te maken en samenhang te kunnen ontdekken. Hieruit bleek dat de volgende factoren de kans op een diagnose van CNZ vergroten:

  • een lager lichaamsgewicht
  • uitdroging
  • het zijn van een gecastreerde kater (meer dan gecastreerde poezen)
  • een eerder gestelde diagnose van parodontitis
  • een eerder gestelde diagnose van cystitis
  • het ondergaan van anesthesie in het jaar voorafgaand aan het stellen van de diagnose van CNZ.

De kans op de diagnose CNZ was voor gecastreerde katers even groot als voor ongecastreerde katers. CNZ was minder waarschijnlijk bij katten met een hoger lichaamsgewicht, maar enkel indien er ook geen sprake was (geweest) van uitdroging. De kans op de diagnose CNZ was ook kleiner bij de kortharige huiskat en als eerder de diagnose was gesteld van diabetes mellitus.

Discussie

De definitieve diagnose van CNZ blijft gebaseerd op de creatinineconcentratie in het bloed en het soortelijk gewicht in de urine, maar in dit onderzoek hebben Greene en collega’s geprobeerd klinische eigenschappen te ontdekken bij katten die ertoe kunnen leiden dat er eerder aan CNZ wordt gedacht. De onderzoekers benadrukken hierbij dat de verbanden in het onderzoek geïnterpreteerd moeten worden als een mogelijk hulpmiddel om CNZ eerder te herkennen en te diagnosticeren en dat de symptomen niet per se een direct gevolg van CNZ hoeven te zijn.

Geslacht

Gecastreerde katers hadden 30% meer kans op een diagnose van CNZ dan gecastreerde poezen. De onderzoekers suggereren dat dit mogelijk verklaard kan worden doordat katers een grotere kans hebben op plasbuisobstructie, waarbij schade aan de nieren kan ontstaan en dat dit mogelijk eerder tot CNZ leidt5,6. Deze hypothese is verder niet onderzocht.

Gewichtsverlies en magere voedingstoestand

Bij oudere katten wordt vaak gewichtsverlies gezien en dit werd bevestigd in het onderzoek waarbij katten in de controlegroep een gemiddeld gewichtsverlies van 2,1% vertoonden in de laatste zes tot twaalf maanden voor het onderzoek. Bij katten met CNZ was het gemiddelde gewichtsverlies echter 10,8% en dus circa vijf keer zo veel. Een groter gewichtsverlies lijkt dus bij het ontwikkelen van CNZ te horen. Eigenaren van katten met CNZ gaven ook drie keer zo vaak aan dat hun kat een slechtere eetlust had in vergelijking met de eigenaren van katten zonder CNZ. De verminderde eetlust draagt dus waarschijnlijk ook voor een deel bij aan het grotere gewichtsverlies. Eventuele veranderingen in het soort voeding in de maanden voor de start van het onderzoek zijn niet onderzocht. Ook moet worden vermeld dat gewichtsverlies en verminderde eetlust uiteraard ook andere oorzaken kan hebben.

Uitdroging

Bij de katten met CNZ werd vaker melding gemaakt van uitdroging. Bij CNZ kunnen de nieren de urine niet goed meer concentreren. Hierdoor wordt er veel meer geplast (polyurie). De kat begint ter compensatie meer te drinken (polydipsie), maar kan dit uiteindelijk niet bijhouden en droogt uit. Uit het onderzoek bleek inderdaad dat bij katten met CNZ vijf keer zo vaak melding werd gemaakt van polyurie of polydipsie dan bij katten zonder CNZ. Polyurie en polydipsie zijn echter niet specifiek voor het ontwikkelen van CNZ en worden ook vaak gezien bij oudere katten die diabetes mellitus of hyperthyreoïdie (een te snel werkende schildklier) ontwikkelen.

Anesthesie en parodontitis

Het ondergaan van anesthesie en een eerdere diagnose van parodontitis werden in dit onderzoek beide geassocieerd met een diagnose van CNZ. Verwacht werd dat dit kwam doordat parodontitis één van de meest voorkomende redenen voor anesthesie is bij de oudere kat. Bij analyse van de data bleek echter dat hoewel er een associatie is tussen anesthesie en parodontitis bij de katten zonder CNZ, dat dit niet het geval is voor de katten met CNZ, ondanks het feit dat parodontitis vaker voorkwam bij katten met CNZ. Overige redenen waarom de katten met CNZ anesthesie ondergingen zijn niet onderzocht.

Hoewel er geen oorzaak – gevolg relatie kan worden aangetoond tussen anesthesie en een latere diagnose van CNZ wordt anesthesie toch als een risicofactor voor acute nierschade beschouwd door de verminderde doorbloeding van de nieren tijdens de anesthesie. De acute nierschade kan in sommige gevallen leiden tot CNZ.7-10

Door de opzet van dit onderzoek kon niet worden bevestigd dat CNZ vaak vooraf wordt gegaan door parodontitis en de enige conclusie die kan worden getrokken is dat de twee aandoeningen vaak tegelijk voorkomen.

Cystitis

Er werd een verband ontdekt tussen een eerdere diagnose van cystitis en de diagnose van CNZ. Cystitis kan meerdere onderliggende oorzaken hebben en van welke onderliggende oorzaken er bij deze katten sprake was is niet verder onderzocht. In theorie is de meest waarschijnlijke onderliggende oorzaak in associatie met CNZ een bacteriële urineweginfectie, omdat dit een veel voorkomende complicatie is bij CNZ.1,2 Van de meeste katten was geen informatie beschikbaar over een bacteriële kweek van de urine, waarmee normaliter de diagnose bacteriële urineweginfectie wordt gesteld. In plaats daarvan werd gekeken of er witte bloedcellen in de urine (pyurie) waren gevonden. De witte bloedcellen zijn cellen, die indicatief kunnen zijn voor een ontsteking of  infectie (al dan niet bacterieel). Bij 72,0% van de CNZ katten bleek er sprake te zijn van pyurie in tegenstelling tot 35,8% van de katten in de controlegroep.

Hypertensie en (ongedifferentieerde) hartaandoeningen

In de groep katten met CNZ waren verhoudingsgewijs veel katten met hypertensie en/of een hartaandoening, waarbij geen verder onderzoek is uitgevoerd naar het soort hartaandoening dat aanwezig was. Dit is logisch, want een verhoogde bloeddruk heeft bij katten bijna altijd een onderliggende oorzaak en de meest voorkomende oorzaak is CNZ.1,2 Bij het aantreffen van een verhoogde bloeddruk moet dus ook aan CNZ worden gedacht.

Diabetes mellitus

Een eerder gestelde diagnose van suikerziekte verlaagde de kans op een diagnose van CNZ. Voor zover bekend is er echter geen beschermend effect van diabetes op de ontwikkeling van CNZ. De enige verklaring die de onderzoekers kunnen bedenken is dat door de verhoogde urineproductie bij suikerziekte ook meer fosfaat wordt uitgescheiden waardoor er minder fosfaat in het lichaam achterblijft en daardoor minder nierschade ontstaat, maar dit is niet verder onderzocht.

Voeding

Het is de wetenschappers niet gelukt een verband aan te tonen tussen het soort dieet (droog, nat, of een combinatie) en CNZ. Een veel gehoorde hypothese is dat de nieren zwaarder worden belast door het enkel voeren van droog voer, omdat in droog voer minder vocht zit, waardoor eerder CNZ zou kunnen ontstaan. Deze hypothese is niet ondersteund door dit onderzoek.

Conclusie

Typische symptomen van CNZ zijn:

  • polyurie en polydipsie
  • verminderde eetlust en braken
  • halitose (slechte adem)
  • verminderde activiteit

Uiteraard werd er een verband gevonden tussen deze symptomen en de diagnose van CNZ, maar deze symptomen treden pas op bij verder gevorderde CNZ en zijn niet geschikt als vroege indicatoren die de dierenarts kunnen alarmeren op de mogelijkheid van een vroeg stadium van CNZ. In dit onderzoek zijn nog een aantal risicofactoren aangetoond, die kunnen duiden op een vroeg stadium van CNZ en in ieder geval zouden moeten stimuleren tot verder onderzoek.

Deze risicofactoren zijn:

  • gewichtsverlies van meer dan 10% in de afgelopen 6-12 maanden
  • uitdroging
  • hypertensie
  • eerdere diagnose van parodontitis
  • eerdere diagnose van cystitis
  • anesthesie in het voorafgaande jaar

Aangezien zoveel factoren een indicatie kunnen zijn van CNZ en deze risicofactoren ook indicatoren kunnen zijn voor andere aandoeningen blijft de aanbeveling om bij de oudere kat elk (half) jaar een bloed- en urineonderzoek te doen van kracht.

Sanne van Aerts, dierenarts gezelschapsdieren

Bronartikel

Greene JP, Lefebvre SL, Wang M et al. (2014) Risk factors associated with the development of chronic kidney disease in cats evaluated at primary care veterinary hospitals. Journal of the American Veterinary Medical Association 244: 320-327.

Referenties

  1. Bartges JW (2012) Chronic kidney disease in dogs and cats. Veterinary Clinics of North America: Small Animal Practice 42: 669-692.
  2. Polzin DJ (2011) Chronic kidney disease in small animals. Veterinary Clinics of North America: Small Animal Practice 41: 15-30.
  3. Ross SJ, Osborne CA, Kirk CA et al. (2006) Clinical evaluation of dietary modification for treatment of spontaneous chronic kidney disease in cats. Journal of the American Veterinary Medical Association 299: 949-957.
  4. Boyd LM, Langston C, Thompson K et al. (2008) Survival in cats with naturally occurring chronic kidney disease (2000-2002). Journal of Veterinary Internal Medicine 22: 1111-1117.
  5. Houston DM, Moore AEP, Favrin MG et al. (2003) Feline urethral plugs and bladder uroliths: a review of 5484 submissions 1998-2003. Canadian Veterinary Journal 44: 974-977.
  6. Segev G, Livne H, Ranen E et al. (2011) Urethral obstruction in cats: predisposing factors, clinical, clinicopathologic characteristics and prognosis. Journal of Feline Medicine & Surgery 13: 101-108.
  7. Frendin JH, Boström IM, Kampa N et al. (2006) Effects of carprofen on renal function during medetomidine-propofol-isoflurane anesthesia in dogs. American Journal of Veterinary Research 67: 1967-1973.
  8. Short CE, Bufalari A (1999) Propofol anesthesia. Veterinary Clinics of North America: Small Animal Practice 29: 747-778.
  9. Mitchell SK, Toal RL, Daniel GB et al. (1998) Evaluation of renal hemodynamics in awake and isoflurane-anesthetized cats with pulse-wave Doppler and quantitative renal scintigraphy. Veterinary Radiology & Ultrasound 39: 451-458.
  10. Sunderman H, Biber B, Raner C et al. (1997). Autoregulation and vasodilator responses by isoflurane and desflurane in the feline renal vascular bed. Acta Anesthesiologica Scandinavica 41: 1180-1186.

Reageren is niet mogelijk