Geurverrijking voor katten

Katten zijn zeer geur georiënteerde dieren, ze gebruiken geursignalen onder andere om met elkaar en andere diersoorten te communiceren. Daarnaast worden geuren gebruikt om te jagen, eten, sociale contacten te onderhouden en om het ‘thuisgebied’ aan te geven1-5. Geuren zouden dus een geschikte verrijking kunnen zijn voor katten. Dit is al onderzocht voor wilde katten in dierentuinen: Aziatische leeuwen worden actiever en vertonen meer sociaal gedrag door de geur van rozemarijn, bieslook, citroengras en piment6. Het stereotype ijsberen van de zwartvoetkat wordt minder en het soorteigen gedrag wordt meer vertoond dankzij de geur van nootmuskaat, kattenkruid en kwartel7.

In het onderzoek van Sarah Ellis en Deborah Wells werd gekeken of geurverrijking ook succesvol kan worden toegepast bij asielkatten. Zij hebben het effect van de geur van een prooidier (konijn), lavendel en kattenkruid getest. De katten werden 3 uur per dag, op 5 opeenvolgende dagen blootgesteld aan deze geuren door middel van een geïmpregneerde doek. Over het algemeen was er niet veel interesse in de doeken, behalve als deze naar kattenkruid roken. Daarnaast waren de katten gedurende het eerste uur duidelijk meer geïnteresseerd in de doeken dan gedurende de twee daaropvolgende uren, wat aangeeft dat de nieuwigheid van de doeken ook een rol kan spelen.

Geurverrijking_kattenDe geur van kattenkruid en konijn zorgden voor een verlaagde activiteit bij de katten: ze sliepen meer, stonden minder en waren minder actief met het verkennen van de omgeving. Kattenkruid zorgde er daarnaast ook voor dat de katten minder poetsten en zorgde bij veel katten voor de typische kattenkruid-reactie8: ruiken, gevold door likken, kauwen en hoofdschudden, daarna wrijven met de kin en de wangen en tot slot over het hoofd heen rollen en met het lichaam wrijven. Vaak graven, krabben, kwijlen en poetsen de katten hier ook bij. De kattenkruid-reactie wordt gezien als een indicatie van beloning of plezier8,9.

De geuren van kattenkruid en prooidieren zouden dus mogelijk een positief effect kunnen hebben op het welzijn van katten. Het is dan waarschijnlijk wel nodig om geuren te roteren, zodat ze steeds ‘nieuw’ lijken en het positieve effect blijft. Katten habituerenWennen aan iets namelijk heel snel aan nieuwe dingen, waardoor ze de interesse erin verliezen10-11. Daarnaast moet er rekening worden gehouden met de optimale sterkte van de geur die wordt aangeboden. Tot slot moet het belang van de geuren die al aanwezig zijn in een verblijf niet onderschat worden.

Dr. Marsha Reijgwart gedragsbioloog en kattengedragstherapeut

Bronartikel

SLH Ellis, DL Wells (2010) The influence of olfactory stimulation on the behaviour of cats housed in a rescue shelter. Applied Animal Behaviour Science 123: 56–62.

Referenties

  1. I Robinson (1990) Olfactory communication in the Felidae. Bulletin of the Feline Advisory Bureau 27: 45–48.
  2. V O’Farrell, P Neville (1994) The BSAVA Manual of Feline Behaviour. British Small Animal Veterinary Association, Cheltenham, UK.
  3. J Nielson (2008) Scent preferences in the domestic cat. In: Proceedings of the Joint Scientific Veterinary Behaviour Meeting of the American College of Veterinary Behaviourists and the American Veterinary Society of Animal Behaviour, New Orleans, USA, July 18.
  4. KL Overall (1997) Clinical Behavioural Medicine in Small Animals. Mosby, London.
  5. DW Macdonald, PJ Apps, GM Carr, G Kerby (1987) Social dynamics, nursing coalitions and infanticide among farm cats. Advances in Ethology 28: 1–64.
  6. J Pearson (2002) On a roll: novel objects and scent enrichment for Asiatic lions. The Shape of Enrichment 11:7–10.
  7. DL Wells, JM Egli (2004) The influence of olfactory enrichment on the behaviour of captive black-footed cats, Felis nigripes. Applied Animal Behaviour Science 85: 107–119.
  8. AO Tucker, SS Tucker (1988) Catnip and the catnip response. Ecological botany 42, 214–220
  9. RC Hatch (1972) Effects of drugs on catnip-induced pleasure behaviour in cats. American Journal of Veterinary Research 33: 143–155.
  10. Hall, S.L., Bradshaw, J.W.S., Robinson, I.H., 2002. Object play in adult domestic cats: the roles of habituation and disinhibition. Appl. Anim. Behav. Sci. 79, 263–271.
  11. Ellis, S.L.H., Wells, D.L., 2008. The influence of visual stimulation on the behaviour of cats housed in a rescue shelter. Appl. Anim. Behav. Sci.113, 166–174.

Reageren is niet mogelijk