Kattenziekte

Feline infectieuze enteritis (parvovirus, panleukopenievirus)

Kattenziekte of feline infectieuze enteritis (FIE) is een ziekte veroorzaakt door een infectie met het feline parvovirus (FPV). Dit virus staat ook bekend als het feline panleukopenievirus, omdat na infectie met dit virus panleukopenie optreedt. Kattenziekte was de eerste ziekte bij katten waarvan is aangetoond dat zij wordt veroorzaakt door een virus. Parvovirussen zijn zeer gevaarlijk omdat zij lange tijd (tot meerdere jaren) in de omgeving (dus buiten de kat) overleven en zeer resistent zijn tegen veel ontsmettingsmiddelen.

Infectie met het feline parvovirus is waarschijnlijk één van de grootste bedreigingen voor elk kattenopvangcentrum en na infectie is er een hoog sterftecijfer, in het bijzonder bij niet gevaccineerde kittens.

Bron en verspreiding van infectie

Feline parvovirus wordt verspreid op twee verschillende manieren. Katten kunnen worden besmet door direct fecaal-oraal contact, waarbij de kat via de bek ontlasting binnen krijgt van een andere kat. Dit kan bijvoorbeeld ook gebeuren als de kat zich wast, terwijl er wat ontlasting van een geïnfecteerde kat op de vacht aanwezig is. Daarnaast kan het virus ook indirect worden verspreid door besmetting van de omgeving of voorwerpen (bijvoorbeeld voerbakken, kammen, kleedjes, vloeren, kleding en handen). Katten die zijn geïnfecteerd met FPV kunnen het virus zeker gedurende zes weken via de ontlasting uitscheiden, maar mogelijk langer. Het virus kan ook door honden worden overgedragen.

Klinische ziekte

Bij kittens vanaf drie-vier weken en bij volwassen katten kan het virus, na een incubatieperiode van vijf tot negen dagen, een zware gastro-enteritis veroorzaken. Zieke katten vertonen braken en diarree met bloedbijmenging en veel katten overlijden hierna snel. Het virus veroorzaakt ernstige schade aan de darmwand en verspreidt via de bloedbaan naar het beenmerg en de lymfeknopen. Vermenigvuldiging van het virus op deze plaatsen zorgt voor een sterke daling van de witte bloedcellen. Zieke katten en kittens hebben meestal koorts, zijn suf en willen niet eten. Sommige katten overlijden al voordat er symptomen, zoals braken en diarree, zichtbaar zijn.

Bij drachtige poezen die worden geïnfecteerd met kattenziekte kan het virus verspreiden naar de ongeboren kittens, waar de ontwikkeling van de hersenen wordt gestoord. Kittens die vervolgens geboren worden kunnen een aandoening hebben  die cerebellaire hypoplasie heet (onderontwikkeling van de kleine hersenen, verantwoordelijk voor de fijne motoriek). Deze kittens lijken in eerste instantie in orde, maar zodra ze beginnen met bewegen en lopen, wordt duidelijk dat de bewegingen zeer ongecoördineerd zijn. Deze aandoening kan ook ontstaan als kittens op zeer jonge leeftijd (jonger dan vier weken) worden geïnfecteerd met FPV, omdat het cerebellum dan nog in ontwikkeling is.

Behandeling

Er is geen specifieke behandeling beschikbaar tegen kattenziekte en het is essentieel dat alle patiënten (verdacht van kattenziekte) in quarantaine worden geplaatst in verband met de besmettelijkheid van het virus. Er moet beschermende kleding worden gedragen bij contact met de zieke kat en de handen moeten zorgvuldig worden gewassen na aanraking van een kat of kitten dat wordt verdacht van besmetting met FPV. Indien mogelijk worden er één of twee personen aangewezen die verantwoordelijk zijn voor de verzorging van de zieke kat en verder geen katten aanraken.

Besmette katten overlijden vaak door uitdroging en massale secundaire infecties, dus intensieve ondersteuning met intraveneuze vochttherapie en breedspectrum antibiotica zijn cruciaal. Zelfs met deze ondersteuning overlijdt echter een groot deel van de katten. Anti-emetica kunnen nuttig zijn om het braken te stoppen. Zodra het braken is gestopt, is het belangrijk de kat kleine maaltijden te geven. Goede diergeneeskundige en ondersteunende verzorging is onmisbaar om de katten, zeker jonge kittens, te helpen herstellen.

Recombinant feline interferon omega (of humane interferon producten) kunnen soms helpen bij de behandeling van ernstige gevallen. Interferonen zijn stoffen die door het lichaam worden gemaakt en een antiviraal effect kunnen hebben. Er is aangetoond dat feline interferon een gunstig effect heeft bij honden met een parvovirus infectie.

Controle

Kattenziekte wordt beter voorkomen dan behandeld. Er zijn zeer effectieve vaccins verkrijgbaar en alle katten en kittens kunnen het beste worden gevaccineerd (inclusief binnenkatten). ‘Levende’ (verzwakte) vaccins kunnen beter niet worden gebruikt bij katten die drachtig zijn of een onderdrukte weerstand hebben. Bij deze katten kan beter een ‘dood’  (geïnactiveerd) vaccin gebruikt.

Het onder controle houden van FPV is afhankelijk van de combinatie van vaccineren en goede controlemaatregelen, zoals ontsmetting (met de juiste middelen) en het inzetten van quarantaine. Indien er een uitbraak is van kattenziekte in een groep met katten, is het van belang alle katten in de omgeving te vaccineren of hun weerstand tegen kattenziekte te controleren door middel van een titerbepaling. Zo wordt verdere verspreiding van het virus voorkomen. Vanwege de resistentie en de besmettelijkheid van het virus is het verstandig elke kat regelmatig te vaccineren om uitbraken van het virus te voorkomen.

Sanne van Aerts, dierenarts gezelschapsdieren

Referentie

Dit artikel is met toestemming van International Cat Care vertaald en waar nodig aangevuld. Klik hier voor het originele artikel (Engels).

Reacties zijn gesloten.