Hoe de wetenschap kattengedragsadviseurs kan helpen advies effectiever over te brengen

Als kattengedragsadviseur vind ik het natuurlijk belangrijk om mijn klanten op zo’n manier advies te geven dat ze het ook zullen uitvoeren. Hierbij heb ik wél moeten leren dat ik mijn cliënten niet moet overstelpen met adviezen. En dat is soms best lastig wanneer je tijdens een huisbezoek ziet dat er eigenlijk veel zaken aangepakt moeten worden. Het is echter effectiever om te beginnen met een paar makkelijk op te volgen adviezen want als je de eigenaar teveel adviezen geeft is de kans groot dat hij of zijn helemaal niets doet.

Adviseren begint met een hulpvraag

Je kunt een eigenaar alleen advies geven als hij of zij om hulp vraagt. Veel eigenaren weten niet dat er gedragstherapeuten zijn. Maar van de eigenaren die het wél weten kiest een deel ervoor met de gedragsproblemen te leven omdat ze denken dat het gedrag van katten niet te veranderen is. Eigenaren lijken het meest gemotiveerd om hulp te zoeken wanneer het gedragsprobleem als erg vervelend en/of gevaarlijk wordt ervaren; en dan met name voor de eigenaren (bijv. bij onzindelijkheid, krabben of agressie). Maar ook wanneer eigenaren hulp vragen aan een dierenarts of kattengedragstherapeut, dat betekent niet dat ze het advies ook opvolgen. En dit is niet uniek voor adviezen van katprofessionals; ook adviezen van de huisarts of advocaat worden door veel mensen niet opgevolgd.  

Het belang van een katvriendelijke omgeving

Bij de meeste gedragsproblemen zijn aanpassingen aan de leefomgeving een belangrijk onderdeel van het advies doordat veel gedragsproblemen deels veroorzaakt worden door een niet katvriendelijke leefomgeving. De meest gemaakte fouten zijn:

  • Alle bronnen dicht bij elkaar zetten in een-en-dezelfde ruimte (bijv. alle kattenbakken of voerbakken bij elkaar, of voedsel in de buurt van de kattenbak)
  • Onprettige bronnen (bijv. te kleine kattenbakken, geen zacht klonterend grit, te lage krabpalen)
  • Te weinig veilige en/of hoge plekken

Maar zelfs als eigenaren advies krijgen over de optimale kattenomgeving volgt niet iedereen de adviezen op. De vraag is – waarom niet?

Katteneigenaren lijken makkelijker aan de sociale behoeften van hun kat te voldoen dan aan hun omgevingsbehoeften. Een studie van Alho (2016) liet zien dat kattenbezitters minder geneigd zijn om het voer en water volgens aanbevelingen neer te zetten (bijv. gescheiden en op rustige locaties) of de kattenbak volgens de geadviseerde frequentie schoon te maken. Adviezen over sociale interactie werden vaak wél opgevolgd (bijv. frequent spelen met de kat). Kennelijk zijn sommige aspecten van de zorg gemakkelijker of meer lonend voor katten eigenaren.

Onderzoek naar het opvolgen van gedragsadvies

Recent onderzoek van Esther van Leeuwen en collega’s van de Universiteit Leiden hebben een aantal mogelijke redenen onderzocht waarom eigenaren een gedragsadvies wel of niet opvolgen. De 703 katteneigenaren vulden een enquête in waarin ze eerst een scenario van een gedragsprobleem voorgeschoteld kregen en daarna werd een advies getoond.

Het advies kon afkomstig zijn van iemand met weinig geloofwaardigheid (de buurvrouw die al jaren katten heeft) of van iemand die zeer geloofwaardig is (een gedragstherapeut met een diploma van een officiële opleiding).

Het advies kon mild of intensief zijn. Het milde advies bestond uit een paar veranderingen zoals een krabpaal neerzetten, elke dag de bak uitscheppen en dagelijks met de katten spelen. Het intensieve advies betrof het plaatsen van een krabpaal in elke kamer, het plaatsen van drie kattenbakken die ieder twee keer daags uitgeschept moeten worden, het toevoegen van meer verticale ruimte, dagelijks spelen met de katten en het scheiden van voerbakjes.

Dus elke deelnemer kreeg één scenario met één van de onderstaande combinaties:

  • minder geloofwaardige adviseur-mild advies
  • geloofwaardige adviseur-mild advies
  • minder geloofwaardige adviseur-intensief advies
  • geloofwaardige adviseur- intensief advies

Na de presentatie van het scenario en advies werden de deelnemers gevraagd wat ze van het advies vonden, hoe waarschijnlijk ze dachten dat andere katteneigenaren het advies zouden opvolgen, hoe moeilijk het zou zijn om het advies op te volgen en hoe waarschijnlijk het was dat ze zelf het advies zouden opvolgen. Eigenaren werd ook gevraagd hoe sterk ze zich zelf zagen als ‘een echte katteneigenaar’. Daarnaast werd hen gevraagd hoe geloofwaardig ze de adviseur vonden en hoe extreem het gedragsadvies. Ten slotte werden er enkele vragen gesteld over hoe de bronnen verdeling in hun eigen huis was en of hun eigen katten gedragsproblemen hadden.

De resultaten

Het onderzoek van Van Leeuwen wees uit dat mensen eerder aanbevelingen opvolgen wanneer die afkomstig zijn van een geloofwaardige adviseur. Ze waren ook meer geneigd het milde advies op te volgen dan het intensievere advies.

Mensen die zich sterk identificeerden als ‘echte katteneigenaar’ waren meer geneigd om het advies op te volgen wanneer ze dachten dat andere kattenbezitters hetzelfde zouden doen. Deze bevinding suggereert dat er enige ‘sociale druk’ is om een goede katteneigenaar te zijn.

Hoewel deze ‘scenario’ studie niet perfect kan voorspellen wat mensen in het echte leven zullen doen, geeft het ons wel stof tot nadenken hoe we katteneigenaren het beste kunnen adviseren bij gedragsproblemen. De auteurs van het onderzoek
geven in hun artikel een aantal nuttige tips.

Tips voor het geven van effectief gedragsadvies

  • Wees (in het begin) mild. De kans dat een eigenaar een omgevingsadvies opvolgt is groter als het advies niet te heftig is. Daarnaast is het belangrijk de eigenaar niet te overstelpen met adviezen. Onderzoek onder hondenbezitters die professionele hulp zochten voor de verlatingsangst van hun hond, liet zien dat de uitkomst van het gedragstherapietraject het meest succesvol was wanneer de eigenaren minder dan vijf adviezen hoefden op te volgen (Takeuchi et al. 2000). Gedragsadviseurs en gedragstherapeuten doen er goed aan te beginnen met een paar relatief eenvoudige en haalbare adviezen en zodra klanten zien dat dit succes oplevert, de ‘vraag’ verhogen.
  • Wees geloofwaardig. Gedragsconsulenten moeten geloofwaardig zijn. Je verhoogt je geloofwaardigheid door het volgen van een professionele scholing en/of certificering en het volgen van bijscholing. Werk met andere professionals samen, plaats referenties van cliënten op je website en gedraag je professioneel tijdens het consult. Goede communicatieve vaardigheden zijn hierbij van essentieel belang.
  • Maak gebruik van sociale druk. Getuigenissen van cliënten en voorbeelden van cliënten die gedragsadviezen toepassen kunnen de sociale druk verhogen. De voorbeelden moeten wel herkenbaar en niet te extreem zijn.

Maar wat als er echt meer nodig is?

De suggestie om streng advies te vermijden is makkelijker gezegd dan gedaan. Wat als ingrijpende veranderingen nodig zijn om het probleem aan te pakken en mild advies niet volstaat? De auteurs raden de ‘voet-tussen-de deur’- techniek aan (Burger 1999). Hiermee wordt een stapsgewijze aanpak gevolgd waarbij een klein verzoek wordt opgevolgd door een groter verzoek. Kattengedragsadviseurs kunnen beginnen met het geven van relatief milde aanpassingen die gemakkelijk uitgevoerd kunnen worden. Zodra de eigenaren het advies hebben opgevolgd en resultaat zien, zal hun houding ten opzichte van veranderingen positiever worden. De kattengedragsadviseur kan nu aanvullend advies geven. De kans op naleving van een ‘strengere’ advies is nu groter dan wanneer dat advies in het begin was gegeven. De voet-tussen-de-deur-techniek is een van de meest gerepliceerde technieken in de sociale wetenschappen en de effectiviteit ervan is aangetoond in een breed scala van domeinen.

Dit artikel is geïnspireerd op dit blog van dr. Mikel Delgado

Esther Bouma, bioloog en kattengedragstherapeut

Bron artikel

Van Leeuwen, E., Ter Mors, E., & Stolting, M. (2022). How Cat-Behavior Advisors Can Improve Clients’ Willingness to Adopt their Advice: An Investigation of Advice Severity, Advisor Credibility, and Clients’ Self-Identity. Journal of Applied Animal Welfare Science, 1-15.

Referenties

  • Alho, A. M., Pontes, J., & Pomba, C. (2016). Guardians’ knowledge and husbandry practices of feline environmental enrichment. Journal of applied animal welfare science, 19(2), 115-125.
  • Burger, J. M. (1999). The foot-in-the-door compliance procedure: A multiple-process analysis and review. Personality and Social Psychology Review, 3(4), 303–325.
  • Takeuchi, Y., Houpt, K. A., & Scarlett, J. M. (2000). Evaluation of treatments for separation anxiety in dogs. Journal of the American Veterinary Medical Association, 217(3), 342-345.

Reacties zijn gesloten.