Vlooienbestrijding: aandachtspunten en vlooienmiddelen

Vlooien kunnen een vervelend probleem zijn voor katten en hun eigenaren. Naast irritatie en jeuk kan een zware vlooienbesmetting ook bloedarmoede veroorzaken. Katten kunnen bovendien een allergische reactie ontwikkelen op het speeksel van de vlo. De kat heeft dan erge jeuk, vaak gevolgd door het ontstaan van kale plekken en korstjes op de rug en flanken. Daarnaast kunnen vlooien een rol spelen in de overdracht van diverse ziekteverwekkers zoals Dipylidium caninum (lintworm), Bartonella henselae (veroorzaker van kattenkrabziekte bij de mens), Rickettsia felis (veroorzaker van spotted fever bij de mens), diverse Haemoplasma bacteriesoorten (veroorzaken bloedarmoede) en het feline leukemie virus (FeLV) (1-5). Kortom, genoeg redenen om een vlooienbesmetting onder controle te willen krijgen. Helaas blijkt dit, ondanks de ruime keuze aan vlooienbestrijdingsmiddelen, niet zo eenvoudig. Er is geen behandelplan dat voor alle katten van toepassing is. Bij de behandeling moet rekening worden gehouden met de leeftijd en levensstijl van de kat, de aan- of afwezigheid van andere huisdieren, de gevoeligheid van de kat voor vlooien en de mogelijkheden van de eigenaar. In dit artikel wordt een (beperkt) overzicht gegeven van diverse vlooienbestrijdingsmiddelen die tegenwoordig verkrijgbaar zijn op de Nederlandse markt. Daarnaast worden ook een aantal richtlijnen gegeven voor vlooienbestrijding in verschillende scenario’s.

Misverstanden bij vlooienbestrijding

Voor een goede vlooienbestrijding is het belangrijk rekening te houden met de levenscyclus van de vlo die uit vier stadia bestaat: de volwassen vlooien, de eieren, de larven en de poppen. De volledige cyclus wordt besproken in het artikel ‘vlooien bij de kat’. Deze cyclus wordt ook gebruikt om een deel van onderstaande misverstanden uit de wereld te helpen.

‘Eén vlooienbeet is voldoende om symptomen van vlooienallergie te veroorzaken’
Oorspronkelijk werd gedacht dat één vlooienbeet inderdaad voldoende was om de klinische symptomen van vlooienallergie uit te lokken. Volledige uitroeiing van de vlooienpopulatie was dan ook essentieel om het ontstaan van symptomen te voorkomen. Volwassen vlooien bijten de kat echter binnen vijf minuten nadat ze op de kat zijn beland. Aangezien er geen enkel vlooienbestrijdingsmiddel is dat binnen vijf minuten vlooien kan doden kan men er vanuit gaan dat iedere kat enkele keren door vlooien wordt gebeten voordat de vlooien worden gedood. Een deel van de katten ontwikkelt vervolgens wel klachten van vlooienallergie en de overige katten niet. Het ontstaan van (de symptomen van) vlooienallergie lijkt daarom eerder afhankelijk te zijn van de gevoeligheid van de gastheer (de kat), de omvang van de vlooienbesmetting en de hoeveelheid vlooienantigeen die wordt geïnjecteerd in de huid van de kat tijdens de maaltijd van de vlo. Voor het onder controle krijgen van vlooienallergie is het daarom belangrijk zo snel mogelijk de hoeveelheid vlooien en de tijd die een vlo op de kat besteedt te verminderen (6).

‘Vlooien zijn besmettelijk’
Het grootste deel van de volwassen vlooien op de kat is afkomstig uit poppen in de omgeving. Het belang van overspringende vlooien tussen dieren onderling is zeer beperkt, zeker als wordt bedacht dat 95% van de levenscyclus van de vlo (eieren, larven, poppen en een deel van de volwassen vlooien) zich in de omgeving van het dier afspeelt. Behandeling van de omgeving is daarom essentieel in een goed vlooienbestrijdingsplan.

‘Er zitten geen vlooien op mijn kat, dus mijn kat kan geen vlooienallergie hebben’
Katten met een vlooienallergie verwijderen door overmatige vachtverzorging (als gevolg van de jeuk) meer vlooien en vlooienpoep dan een kat die niet allergisch reageert op vlooienspeeksel (7). Hierdoor is vlooien(poep) mogelijk niet meer zichtbaar. De afwezigheid van vlooien(poep) sluit een vlooienallergie dus zeker niet uit.

‘Ik hoef mijn kat enkel te behandelen tegen vlooien als ik ze zie’
Enkel de volwassen vlooien en/of vlooienpoep op de kat wordt gezien door de eigenaar. Dit is slechts 5% van het de vlooienbesmetting, want de overige 95% van de levenscyclus van de vlo bevindt zich in de omgeving van het dier. Slechts bij regelmatige behandeling van de kat en de omgeving is het mogelijk een vlooienbesmetting onder controle te krijgen. Houdt er ook rekening mee dat het eenvoudiger is de kat preventief te behandelen dan de symptomen van vlooien(allergie) onder controle te krijgen.

Vlooienbestrijdingsmiddelen

Zoals aangegeven bestaat de cyclus van de vlo uit vier stadia: eieren, larven, poppen en volwassen vlooien. Enkel (een deel van) de volwassen vlooien bevinden zich op de kat. De rest van de cyclus vindt in de omgeving plaats. Tegenwoordig zijn er veel verschillende vlooienbestrijdingsmiddelen, die effect hebben op één of meerdere stadia in de vlooiencyclus.

Insecten-Groei-Remmers (IGR’s)
IGR’s onderbreken de groei en ontwikkeling van vlooienlarven en -eieren, maar hebben geen effect op volwassen vlooien. Hierdoor wordt (her)besmetting vanuit de omgeving gereduceerd. Een daling in omgevingsbesmetting treedt enkel op als alle contactdieren worden behandeld. Circa acht weken na het starten van de behandeling met een IGR is er ook een vermindering zichtbaar in het aantal volwassen vlooien. Daarom wordt aangeraden om de eerste twee-drie maanden van de behandeling ook een vlooienbestrijdingsmiddel met adulticide werking (doodt volwassen vlooien) toe te dienen (8). In Nederland zijn diverse IGR’s verkrijgbaar. Deze bevatten de volgende werkzame stoffen: lufenuron, methopreen en pyriproxyfen. In onderstaande tabel staat een overzicht onder welke merknamen de verschillende stoffen verkrijgbaar zijn en hoe vaak deze moeten worden toegediend.

Vlo_IGR

Frontline Combo, Broadline en Vectra Felis hebben ook een adulticide werking. Broadline werkt ook tegen spoel- en lintwormen. De Program is bij de dierenarts ook verkrijgbaar in de vorm van een injectie. Deze injectie werkt 6 maanden.

Adulticiden
Deze middelen doden de volwassen vlo waardoor de kat minder wordt gebeten en dus minder last heeft van de vlooien. Adulticiden voor de kat in Nederland zijn verkrijgbaar met de volgende werkzame stoffen: diazinon, dinotefuran, fipronil, imidacloprid, indoxacarb, ivermectine, metaflumizone, nitenpyram, propoxur, pyrethrum, selamectine en spinosad. In de tabel staat een overzicht met de in Nederland meest verkrijgbare middelen met deze werkzame stoffen.

Vlo_Adulticiden

Het kan gewenst zijn om producten te gebruiken die werkzaam zijn tegen meerdere stadia in de vlooiencyclus. Naast eerder genoemde producten die ook een IGR bevatten zijn er nog een aantal middelen die meerdere stadia in de vlooiencyclus bestrijden. Producten op basis van imidacloprid en selamectine doden ook de larven en selamectine heeft ook een dodende werking op de vlooieneitjes in de omgeving (9-12).

In sommige gevallen is het belangrijk dat een vlooienbestrijdingsmiddel snel tot zeer snel werkt. De meeste producten beginnen te werken na 24 tot 48 uur, maar producten met imidacloprid, spinosad en nitenpyram werken binnen 20-30 minuten (9, 10, 13-16). Dinotefuran werkt volgens de fabrikant ook binnen twee uur na toediening. Het nadeel van nitenpyram is dat het maar maximaal 1-2 dagen werkt. Dit product kan wel goed worden ingezet in milieus waar een snelle werking gewenst en/of een hoge vlooienbesmetting aanwezig is. Nitenpyram moet dan worden gecombineerd met een IGR voor lange termijn controle (17).

Fipronil is een stof die al lang op de markt is en waar dus ook veel fabrikanten een eigen product van hebben geproduceerd. Het voordeel van de fipronil huidspray is dat deze al mag worden toegediend bij kittens vanaf 2 dagen leeftijd. Dit kan handig zijn in kittenopvang of cattery’s waar een (zware) vlooienbesmetting aanwezig is.

Sinds een aantal jaren zijn er in dierenartsenprakijken en dierenwinkels discussies gaande over de de werkzaamheid van middelen die fipronil bevatten. Vlooien zouden resistent zijn tegen deze stof en daardoor niet meer worden gedood. Tad Coles en Michael Dryden hebben alle beschikbare informatie hierover verzameld en gepubliceerd in een overzichtsartikel. Ware resistentie houdt in dat de genetica van de vlooienpopulatie verandert ten gevolge van selectiedruk die ontstaat door het gebruik van vlooienbestrijdingsmiddelen. Er is één vlooienstam in Kansas, die genetische resistentie vertoont tegen fipronil. In de overige gevallen blijkt het niet werken van de behandeling afhankelijk te zijn van andere factoren, zoals niet alle huisdieren in een huishouden mee behandelen of herbesmetting afkomstig van andere huisdieren uit de buurt of wilde dieren. Niettemin is het natuurlijk mogelijk om een vlooienbestrijdingsmiddel met een andere werkzame stof te gebruiken (18).

Naast de zuivere vlooienbestrijdingsmiddelen zijn er ook een aantal producten op de markt die een gecombineerde werking hebben. Broadline, Advocate en Stronghold werken ook tegen verschillende wormsoorten en Advocate en Stronghold zijn ook werkzaam tegen een aantal mijtensoorten. Welke worm- en mijtensoorten varieert per product, maar hier kan de bijsluiter en/of een dierenarts meer informatie over geven.

Vlooienbestrijding in de praktijk

Er zijn veel verschillende vlooienbestrijdingsmiddelen verkrijgbaar in Nederland. Dit maakt de keuze niet altijd eenvoudig, zeker niet als ook rekening wordt gehouden met individuele factoren die in elk huishouden een rol spelen. Voorheen was het doel van vlooienbestrijding volledige uitroeiing van de vlooienpopulatie en het voorkomen van nieuwe besmettingen omdat er vanuit werd gegaan dat een enkele vlooienbeet al verantwoordelijk kon zijn voor vlooienallergie. Tegenwoordig is het behandelplan eerder gebaseerd op een ‘jeukdrempel’. Katten kunnen een bepaalde hoeveelheid vlooien verdragen (de exacte hoeveelheid is verschillend per kat) en vlooienbestrijding heeft als doel om de infectiedruk vanuit de omgeving te reduceren. Deze omgeving is anders voor een binnenkat dan voor een kat die ook buiten komt. Daarnaast spelen onder andere de gevoeligheid van de kat voor vlooien, de aanwezigheid van andere huisdieren en de mogelijkheden voor de eigenaar een rol.

Hieronder worden ter verduidelijking een aantal mogelijke scenario’s geschetst en wat een juiste vlooienbestrijding zou kunnen zijn in deze situaties.

Behandeling van de niet-allergische kat die binnen- en buitenshuis leeft in een huishouden waar geen andere huisdieren aanwezig zijn.
De kat wordt continu bloot gesteld aan (een variërend aantal) vlooien als hij of zij buiten rond loopt. Daarom wordt er aangeraden gebruik te maken van een adulticide dat ook werkzaam is tegen larven en/of eieren. Het maandelijks toedienen van producten op basis van imidacloprid of selamectine zou voldoende moeten zijn.

Behandeling van de allergische kat die binnen- en buitenshuis leeft in een huishouden met meerdere katten.
Voor de allergische kat is het belangrijk dat de volwassen vlooien snel worden gedood om de jeuk die vlooienbeten veroorzaken zo snel mogelijk te verminderen. Er kan gebruik worden gemaakt van imidacloprid, nitenpyram, spinosad of dinotefuran. Het voordeel van dinotefuran is dat vlooien niet hoeven te bijten voordat ze worden gedood. Daarnaast is het belangrijk een IGR, bijvoorbeeld lufenuron, in te zetten om de overige stadia van de vlo onder controle te krijgen. Er wordt aangeraden om alle katten, dus ook de niet allergische, te behandelen met de IGR.

Behandeling van een besmette omgeving.
Naast het gebruik van vlooienbestrijdingsmiddelen op de kat die een invloed hebben op de vlooieneieren en larvale stadia in de omgeving, kan de omgeving ook rechtstreeks worden behandeld door de larvale stadia mechanisch te verwijderen en/of insecticiden te gebruiken. Stofzuigen verwijdert circa 90% van de eieren en 50% van de larven van een tapijt (19). De trillingen van de stofzuiger zorgen er ook voor dat nieuwe vlooieneieren uitkomen, dus er moet herhaaldelijk worden gestofzuigd.

Naast bovenstaande voorbeelden zijn er uiteraard nog veel meer scenario’s denkbaar. Hoofdzaken bij een goede vlooienbestrijding zijn om de cyclus van de vlo in het achterhoofd te houden en een goed beeld te hebben van het huishouden waar de al dan niet allergische kat zich in bevindt. De middelen die worden gebruikt moeten hier op worden afgestemd.

Sanne van Aerts, dierenarts gezelschapsdieren

Bronartikel

Siak, M. & Burrows, M. (2013). Flea Control in Cats: New concepts and the current armoury. Journal of Feline Medicine and Surgery 15: 31-40.

Referenties

1. Foil, L., Andress, E., Freeland, R.L. et al. (1998). Experimental infection of domestic cats with Bartonella henselae by inoculation of Ctenocephalides felis (Siphonaptera: Pulicidae) feces. Journal of Medical Entomology 35: 625-628.
2. Hirunkanokpun, S., Thepparit, C., Foil, L.D. et al. (2011). Horizontal transmission of Rickettsia felis between cat fleas, Ctenocephalides felis. Molecular Ecology 20: 4577-4586.
3. Reif, K.R., Kearney, M.T., Foil, L. et al. (2011). Acquisition of Rickettsia felis by cat fleas during feeding. Vector Borne and Zoonotic Diseases 11: 963-968.
4. Lappin, M.R., Griffin, B., Brunt, J. et al. (2006). Prevalence of Bartonella species, haemoplasma species, Erlichia species, Anaplasma phagocytophilum and Neorickettsia risticii DNA in the blood of cats and their fleas in the United States. Journal of Feline Medicine and Surgery 8: 85-90.
5. Vobis, M., D’Haese, J., Mehlhorn, H. et al. (2003). Evidence of horizontal transmission of feline leukemia virus by the cat flea (Ctenocephalides felis). Parasitology Research 91: 467-470.
6. Day, M.J. (2012). Clinical Immunology of the Dog and Cat. London: Manson Publishing Ltd, 2nd edition, p136-137.
7. McDonald, B.J., Foil, C.S., Foil, M.D. (1998). An investigation on the influence of feline flea allergy on the fecundity of the cat flea. Veterinary Dermatology 9: 75-79.
8. Shipstone, M. & Mason, K.V. (1995). The use of insect development inhibitors as an oral medication for the control of the fleas Ctenocephalides felis, canis in the dog and cat. Veterinary Dermatology 6: 131-137.
9. Mehlhorn, H., Hansen, O., Mencke, N. (2001). Comparative study on the effects of three insecticides (fipronil, imidacloprid, selamectin) on developmental stages of the cat flea (Ctenocephalides felis Bouché A 1835): a light and electron microscopic analysis of in vivo and in vitro experiments. Parasitology Research 87: 198-207.
10. Mehlhorn, H., Hansen, O., Mencke, N. (1999). Effects of imidacloprid on adult and larval stages of the flea Ctenocephalides felis after in vivo and in vitro application: a light- and electron-microscopy study. Parasitology Research 85: 625-637.
11. Bishop, B.F., Bruce, C.I., Evans, N.A. et al. (2000). Selamectin – a novel broad-spectrum endectocide for dogs and cats. Veterinary Parasitology 91: 163-176.
12. McTier, T.L., Shanks, D.J., Jernigan, A.D. et al. (2000). Evaluation of the effects of selamectin against adult and immature stages of fleas (Ctenocephalides felis felis) on dogs and cats. Veterinary Parasitology 91: 201-212.
13. Schenker, R., Tinembart, O., Humbert-Droz, E. et al. (2003). Comparative speed of kill between nitenpyram, fipronil, imidacloprid, selamectin and cythioate against adult Ctenocephalides felis (Bouché) on cats and dogs. Veterinary Parasitology 112: 249-254.
14. Dobson, P., Tinembart, O., Fisch, R.D. et al. (2000). Efficacy of nitenpyram as a systemic flea adulticide in dogs and cats. Veterinary Record 147: 709-713.
15. Franc, M. & Bouhsira, E. (2009). Evaluation of speed and duration of efficacy of spinosad tablets for treatment and control of Ctenocephalides canis (Siphonaptera: Pulicidae) infestations in dogs. Parasite 16: 125-128.
16. Blagburn, B.L., Young, D.R., Moran, C. et al. (2010). Effects of orally administered spinosad (Comfortis) in dogs on adult and immature stages of the cat flea (Ctenocephalides felis). Veterinary Parasitology 168: 312-317.
17. Miller, P.F., Peters, B.A., Hort, C.A. (2001). Comparison of lufenuron and nitenpyram versus imidacloprid for integrated flea control. Veterinary Therapeutics 2: 285-292.
18. Coles, T.B. & Dryden, M.W. (2014). Insecticide/acaricide resistance in fleas and ticks infesting dogs and cat. Parasites & Vectors 7: 8.
19. Rust, M.K. & Dryden, M.W. (1997). The biology, ecology and management of the cat flea. Annual Review of Entomology 42: 451-473.

Reageren is niet mogelijk