Kattenbakken

Eén van de meest voorkomende gedragsproblemen bij katten is het urineren en defeceren buiten de kattenbak, ook wel onzindelijkheid genoemd. De term onzindelijk wekt de indruk dat het probleem bij de kat ligt, terwijl het probleem vaak bij de kattenbak ligt. De hygiëne, locatie, het aantal, vulling en soort kattenbak kunnen door katten als ongeschikt worden gezien, waardoor ze gedwongen worden om een andere plek te zoeken die wél aan hun standaard voldoet. Het is daarom erg belangrijk om te weten wat een kat als geschikte ontlastingsplek ziet. Er is redelijk wat onderzoek gedaan naar de voorkeuren van katten met betrekking tot hun kattenbak, maar helaas zijn er bij de meeste onderzoeken ook andere verklaringen mogelijk voor de gevonden voorkeuren of zijn de resultaten niet gepubliceerd in wetenschappelijke, peer-reviewed tijdschriften. Zes onderzoeken die hier wél aan voldoen zijn in dit artikel samengevat.

Kattenbakgedrag

Uitscheidingsgedrag (ook wel eliminatiegedrag genoemd) heeft bij katten een min of meer vaste volgorde: ‘ingaan van de kattenbak’ – ‘graven’ – ‘rondje draaien’ – ‘gaan zitten’ – ‘poepen/plassen (elimineren)’ – ‘bedekken’ en ‘verlaten van de kattenbak’. Veel onderzoeken naar eliminatie gedrag kijken alleen naar deze zogenaamde ‘macro-gedragingen’. McGowan en collega’s hebben in 2017 in detail het eliminatie gedrag van katten bestudeerd in twee verschillende omgevingen; een verrijkte omgeving en een klinische omgeving (zie figuur 1).

Twaalf katten, zes vrouwtjes en zes mannetjes, geboren en getogen in de Nestlé Purina cattery in Missouri (Amerika) maakten deel uit van de studie. De leeftijd van de katten varieerde tussen de één en vijf jaar. Alle katten waren goed gesocialiseerd en gewend aan dagelijks contact met mensen en andere katten. De katten woonden in groepen in ruime verrijkte kamers. Alle katten in de studie waren gezond en hadden nooit onzindelijkheidsproblemen.

De studieperiode duurde dertien dagen waarbij de kat de eerste vijf dagen kon wennen aan zijn omgeving. Gedurende vier dagen (dag zes t/m negen) werd het gedrag in en rond de kattenbak opgenomen op video. Aan het eind dag negen werd de kat in een kleinere ruimte (B) geplaatst. Deze ruimte bevond zich in dezelfde kamer (A) waar de katten de eerste negen dagen waren geweest. De katten bleven vier dagen in de kleinere ruimte (conditie B) en ook hier werd het gedrag in en rond de kattenbak opgenomen op video.

Figuur 1. Voorbeeld van de twee omgevingen in de studie van McGowan en collega’s.
A) verrijkte omgeving met een grote (89 × 89 × 17 cm) roestvrijstalen kattenbak gevuld met fijn kleisubstraat.
B) klinische omgeving met een kleine (41 × 30 × 10 cm) kattenbak met polypropyleen korrels als substraat.

De katten kregen twee keer daags droogvoer en onbeperkt water. De katten werden elke dag minimaal vijftien minuten bezocht door een verzorger. In conditie A werd twee keer per dag de kattenbak leeggeschept. In conditie B werd de kattenbak geheel vervangen wanneer er poep of plas in de bak aanwezig was. Op basis van de videodata werd bepaald wanneer en waar de kat poepte of plaste en werd de tijd die de kat in de kattenbak aanwezig was genoteerd. Ook werd in detail het gedrag voor, tijdens en na het gebruik van de kattenbak bestudeerd. Er werden 39 verschillenden gedragingen geobserveerd zoals liggen, rondjes draaien, zitten, hurken, houding van de staart (gebogen, recht), gebruik van de poten (graven, krabben) en ruiken. De onderzoekers hebben gekeken naar verschillen in gedragingen tussen de twee condities (A en B).

Een belangrijke conclusie van het onderzoek is dat eliminatiegedrag van katten complexer is dan voorheen gedacht werd. Een andere interessante, en misschien wat tegen-intuïtieve conclusie is dat het eliminatiegedrag langer duurde in de klinische omgeving (conditie B – gemiddelde 240 seconden) dan in de verrijkte omgeving (conditie A – gemiddeld 60 seconden). Een kortere eliminatie tijd lijkt dus een indicatie voor een positievere kattenbak ervaring. Het verschil in tijd tussen conditie A en B wordt voornamelijk veroorzaakt doordat katten in conditie B:
– er langer over doen om de bak in te gaan
– vaker de bak in lopen en direct weer uit gaan
– vaker ruiken aan de omgeving rond de kattenbak
– vaker een rondje draaien voordat ze gaan poepen/plassen
– vaker van positie veranderen tijdens het poepen/plassen
– na het plassen/poepen langer aan hun poep/plas ruiken

De onderzoekers observeerden nog een aantal andere verschillen in gedrag tussen de twee condities. De katten in conditie B raakten vaker met hun poten de zijkanten van de kattenbak aan dan in conditie A (maar dat is logisch aangezien de kattenbak in conditie A groter is). Verder gingen de katten (en met name de vrouwtjes) zich direct na het gebruik van de kattenbak wassen; dit gebeurde niet in conditie A. Katten in conditie A ruiken vaker aan het substraat in de kattenbak dan de katten in conditie B. Tot slot, in conditie B plasten de katten minder vaak dan in conditie A maar als ze eenmaal gingen dan duurde het plassen langer (wat op zich ook een logisch gevolg is: als je minder vaak gaat moet er meer uit als je gaat).

Gedurende de acht dagen dat de katten in de verrijkte omgeving A zaten is er geen enkele keer buiten de bak gepoept/geplast maar tijdens de vier dagen in omgeving B is er vier keer buiten de bak geplast en vijf keer buiten de bak gepoept. Wat de oorzaak hiervoor is wordt niet duidelijk beschreven in het artikel.

De grootte van de bak

Norma Guy en haar collega’s hebben in 2014 een onderzoek over de voorkeur voor de grootte van de kattenbak gepubliceerd. Voor dit onderzoek hebben ze in 43 huishoudens met één of meerdere katten (in totaal 74 katten) gedurende vier weken twee kattenbakken neergezet. De ene kattenbak was 56 x 38 x 14 cm, dit noemden ze de normale bak (ook al was deze ook al een stukje groter dan de standaard kattenbakken). De tweede kattenbak was 86 x 39 x 14 cm en werd de grote kattenbak genoemd. Zoals in figuur 2 te zien is, verschilden de bakken vooral in lengte. De twee kattenbakken werden in één kamer, zo ver mogelijk uit elkaar geplaatst. In allebei de bakken zat hetzelfde, klontvormende kattengrit, tien centimeter diep. De bakken werden dagelijks uitgeschept en na twee weken werden de bakken helemaal leeg en schoon gemaakt en werd het grit compleet vervangen. De eigenaren noteerden dagelijks hoe vaak hun kat(ten) in iedere bak geürineerd en gedefeceerd hadden. Na twee weken werden de twee bakken omgewisseld, zodat de onderzoekers konden kijken of de locatie waar de kattenbak stond invloed had op het gebruik van de kattenbakken.

Figuur 2: De afmetingen van de grote en normale kattenbak gebruikt in het onderzoek van Norma Guy en haar collega’s.

Gedurende de eerste twee weken ontlastte een kat zich gemiddeld 1,13 keer per dag in de grote bak en maar 0,61 in de gewone kattenbak. In de laatste twee weken was het verschil wat kleiner: er werd gemiddeld 1,01 keer een bezoek gebracht aan de grote kattenbak en 0,74 keer aan de normale kattenbak. Als er naar urineren en defeceren apart gekeken werd, werd er het vaakst geplast en gepoept in de grote kattenbak. Gemiddeld plasten de katten 1,9 keer per dag in de normale bak en 2,9 keer per dag in de grote bak. Daarnaast werd er gemiddeld 0,9 keer per dag gepoept in de normale bak, terwijl dit gemiddeld 1,5 keer per dag werd gedaan in de grote bak. Tot slot werd in 76% van de huishoudens de grote bak vaker gebruikt om te plassen dan de normale bak en in 88% van de huishoudens werd de grote bak vaker gebruikt om te poepen dan de normale bak.

In de twee dagen na het wisselen van de bakken was er geen verschil in gebruik van de kattenbakken. Na deze twee dagen werd de voorkeur voor de grote bak weer duidelijk. De onderzoekers hebben dus laten zien dat de kat mee verhuisde met hun favoriete kattenbak. Ze zagen wel dat vier van de katten een hele sterke voorkeur hadden voor een bepaalde locatie, deze katten verhuisden dus ook niet mee met hun voorkeursbak. Daarnaast werd in sommige huishoudens eerst alleen maar de grote kattenbak gebruikt en werd pas later de normale bak in gebruik genomen. Na de wisseling (en grote schoonmaak) werd door deze katten weer alleen de grote bak gebruikt. Het lijkt er dus op dat de hygiëne van de kattenbakken ook een belangrijke rol speelt bij de voorkeur van de kat.

Een belangrijke kanttekening bij dit onderzoek is dat er ook huishoudens met meerdere katten mee deden. Als één van de katten in huis een andere of minder sterke voorkeur voor een van de bakken had dan de rest, zou dit de preferentie van een individuele kat kunnen doen verdwijnen. Desondanks zijn er in dit onderzoek toch significante verschillen gevonden, dus de voorkeur voor de grote bak was duidelijk.

Leuk om te weten: gedurende de vier weken werd er in totaal 5031 keer gepoept en geplast in de grote kattenbak en 3239 keer in de normale kattenbakken.

Gesloten of open bak

Emma Grigg en haar collega’s hebben in 2013 onderzocht of katten een voorkeur hadden voor een gesloten of een open kattenbak. Hiervoor hebben ze 28 zindelijke binnen gehouden katten zonder gezondheidsproblemen de keuze gegeven tussen een gesloten en open kattenbak. Gedurende veertien dagen werden een gesloten en een open bak direct naast elkaar in een ruimte gezet. Halverwege werden de twee bakken omgewisseld zodat de locatie van de bak geen rol kon spelen in de eventuele voorkeur voor één van de bakken. De bakken waren 82,5 x 50,2 centimeter (en dat is een stuk groter dan een standaard kattenbak met gemiddelde afmetingen van 55 x 40 centimeter). De gesloten bak was 47,4 centimeter hoog en had een opening van 27,3 x 31,75 centimeter. De open bak was 12,5 centimeter hoog aan de zij- en achterkant, de voorkant was 10 centimeter hoog. Beide bakken werden gevuld met 5 centimeter diep, fijn, klontvormend kattengrit. De bakken werden dagelijks uitgeschept en het grit werd aangevuld als het minder dan 5 centimeter diep was. Het gewicht van het uitgeschepte materiaal werd genoteerd en vergeleken.

De meeste katten (70%) hadden geen voorkeur voor één van de twee kattenbakken. De rest was gesplitst in twee gelijke groepen: 15% had een voorkeur voor de gesloten kattenbak en 15% had een voorkeur voor de open bak. Van de zes grote katten (>6 kilo) had 30% een voorkeur voor de open bak, waarschijnlijk omdat grotere katten meer bewegingsvrijheid hebben in een bak zonder deksel.

Soort kattengrit

Deborah Horwitz heeft in 1997 retrospectief gekeken naar het kattengrit dat gebruikt werd in de kattenbakken van katten met en zonder onzindelijkheidsproblemen. Uit haar studie bleek dat de katten die een onzindelijkheidsprobleem hadden significant vaker kattengrit met een geurtje hadden: 68% van de onzindelijke katten had geurend kattengrit, terwijl maar 25% van de katten zonder onzindelijkheidsproblemen grit met een geurtje hadden. De studie van Horwitz suggereert dat het beter is om kattengrit te gebruiken zonder geurtje. In dezelfde studie heeft Deborah Horwitz ook gekeken naar de vorm van het kattengrit en constateerde dat de zindelijke katten vaker fijn, klontvormend kattengrit in hun bak hadden dan de onzindelijke katten. Waarschijnlijk speelt de structuur en de klontvorming van het grit dus ook een belangrijke rol bij het bepalen van de geschiktheid van de kattenbak.

In 2018 is door het duo Beugnet onderzoek gedaan naar de verschillende soorten kattengrit (substraat) in een thuissituatie. De achttien katten in de studie waren gezond en waren nooit onzindelijk geweest. De katten woonden als enige kat op een appartement zonder toegang tot buiten. De jongste kat in de studie was zes maanden en de oudste kat was tien jaar.

Het onderzoek bestond uit twee fasen. In de eerste fase hadden de achttien katten gedurende vier weken de keuze uit drie open kattenbakken met drie verschillende substraten: klei, hout en silica-microkorrels. De kattenbakken stonden naast elkaar opgesteld (zie foto 1). Alle drie substraten waren klontvormend en geurloos. De eigenaar werd geïnstrueerd om elke avond poep uit de bak te scheppen en te noteren of er wel of geen poep in de bak aanwezig was. De urine werd niet verwijderd. Na zeven dagen werd de hele bak geleegd, schoongemaakt met water en zeep en opnieuw gevuld.

Foto 1. Opstelling kattenbakken in fase 1 in de studie van Villeneuve-Beugnet & Beugnet

De resultaten uit fase 1 laten een duidelijke en significante voorkeur voor de klei en silica-korrels zien. Er was maar één kat die éénmaal van de bak met houtkorrels gebruikt maakte. Er werd geen verschil gevonden tussen het gebruik van de bak met klei en de bak met silica-micro korrels.

In fase 2 van de studie deden twaalf van de achttien katten uit fase 1 mee. Deze katten hadden gedurende deze fase twee weken de keuze uit een kattenbak met kleikorrels of een kattenbak met silica-korrels. Omdat de onderzoekers wilden nagaan of de voorkeur van de katten aan het substraat (klei of silica) of de grootte van de korrel lag, is in fase 2 een groter formaat silica-korrel gebruikt dan in fase 1. In fase 2 werd duidelijk dat de katten een duidelijke en significante voorkeur hadden voor de kleikorrels.

Zowel in fase 1 als in fase 2 hing de voorkeur voor een bepaald substraat niet samen met de sekse van de kat en ook niet met welke substraat de kat gewend was.

Delen van een kattenbak

Omdat de meeste onderzoeken naar de aantrekkelijkheid van de kattenbak zijn uitgevoerd bij alleenwonende katten wilden Sarah Ellis en haar collega’s (2017) onderzoeken of de kattenbak minder aantrekkelijk wordt wanneer een andere kat er al gebruik van heeft gemaakt. Daarnaast is gekeken naar het type eliminatie (ontlasting of urine), geur en aanwezigheid van nep-ontlasting en/of -urine.

De katten uit het onderzoek zijn geboren en opgegroeid in Nestlé Purina cattery in Missouri (Amerika). Alle zestien katten waren gecastreerd/gesteriliseerd en de leeftijd varieerde tussen de één en twaalf jaar. De katten in de studie waren gezond en hadden nooit onzindelijkheidsproblemen gehad. De katten uit het onderzoek kenden elkaar en deelden minimaal vier uur per dag met elkaar dezelfde ruimte onder dezelfde omstandigheden.

Tijdens de vier dagen van het onderzoek werden de katten afzonderlijk gehuisvest (zie foto 2) maar met uitzicht op de eigen groep. Gedurende twee á drie uur per dag hadden de katten toegang tot hun groep en daarnaast was er regelmatig contact met de verzorgers. De katten kregen in de ochtend eten en water was onbeperkt beschikbaar. De kattenbakken waren open en als substraat werd een klontvormende kleine kleikorrel gebruikt.

Foto 2. Opstelling kattenbakken in de studie van Ellis en collega’s

De voorkeur voor een bepaalde bak werd onderzocht in de hieronder genoemde vijf experimenten die elk afzonderlijk van elkaar werden uitgevoerd. De katten hadden dus steeds de keuze uit twee bakken. De aanwezigheid van ontlasting en urine werd elke dag genoteerd en verwijderd.

1. Een kattenbak met ontlasting en/of urine van de kat zelf (B) versus een kattenbak met ontlasting en/of urine van een andere kat (C)
2. Een schone kattenbak (A) versus een gebruikte bak (B)
3. Een schone kattenbak (A) versus een gebruikte bak (C)
4. Een kattenbak met de geur van ontlasting/urine van een andere kat (D) versus een kattenbak met daadwerkelijk ontlasting/urine van een andere kat (C)
5. Een kattenbak met geurloze nep-ontlasting (E1) en klonten nep-urine (E2).

De resultaten laten zien dat de katten altijd een schone kattenbak verkiezen boven een gebruikte bak (experiment 2 en 3) maar of de bak al eens eerder door hen zelf of door een andere kat was gebruikt maakte hen niets uit (experiment 1). Ook maakte het geen verschil of de bak alleen rook naar de ontlasting of urine van een andere kat of dat er ook daadwerkelijk ontlasting of urine van de andere kat inlag (experiment 4). De katten hadden wel een duidelijke voorkeur in experiment 5: de bak met nep-ontlasting werd vaker verkozen dan de bak met klonten nep-urine. Gedurende de studie is geen onzindelijkheid gerapporteerd.

Deze studie wijst uit dat katten er geen probleem mee hebben om een kattenbak te delen met een andere bekende kat. Geur lijkt geen rol te spelen bij de aantrekkelijkheid van de bak maar de aanwezigheid van ontlasting of urine wel. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat katten minder goed hun natuurlijke eliminatie gedrag kunnen uitvoeren wanneer er al iets in de bak ligt (Borchelt & Voith, 1996).

Aantal kattenbakken in een meerkatshuishouden

Een populair advies voor een huishouden met meerdere katten is dat het aantal kattenbakken ‘n + 1’ moet zijn waarbij de ‘n’ het aantal katten in het huis is. Maar dit populaire advies, voor het eerst is beschreven door Borchelt and Voith (1996), is niet gebaseerd op uitgebreid onderzoek. Twee kattenbakken voor een huishouden van 5 katten is aan de lage kant, maar het heeft ook geen zin om in elke hoek van de gang twee kattenbakken te zetten wanneer één van de katten de toegang tot de gang kan blokkeren. De locatie van de kattenbakken, en daarmee de toegankelijkheid voor elke kat, is belangrijker dan het daadwerkelijke aantal.

Discussie

Tot slot, drie kritische opmerkingen ten opzichte van de beschreven onderzoeken. Allereerst, de beschreven onderzoeken kijken naar gemiddeldes. In alle onderzoeken waren er katten die andere voorkeuren lieten zien dan ‘de gemiddelde kat’. Bij twijfel is het daarom altijd verstandig om zelf een kleine preferentietest uit te voeren en jouw kat te laten aangeven wat door hem of haar als een geschikte kattenbak wordt gezien.

Ten tweede, het onderzoek van Emma Grigg toonde aan dat alleenwonende katten geen voorkeur hebben voor een open of gesloten bakken maar dit resultaat was misschien anders geweest wanneer er gebruik was gemaakt van bakken met een standaard (kleiner) formaat. Ook werden de bakken in deze studie dagelijks uitgeschept. Dit is geen realistische situatie aangezien mensen geneigd zijn om gesloten kattenbakken minder vaak schoon te maken (‘out of sight is out of mind’) dan gesloten bakken. Aangezien hygiëne zeer belangrijk is bij kattenbakvoorkeur is een open kattenbak raadzaam.

Tot slot, de voorkeurstesten in de beschreven onderzoeken gebruikten meestal twee kattenbakken: één van type A en één van type B. Maar hierbij bestaat de kans dat de katten beide bakken gebruiken omdat ze graag gescheiden urineren/defeceren, wat de resultaten van het onderzoek minder duidelijk kan maken. Toekomstig onderzoek kan beter worden gedaan met vier bakken; twee van type A en twee van type B. Dan kunnen de katten écht hun voorkeur laten zien.

Conclusie

Een korte tijd op en rond de kattenbak duidt op een positievere kattenbak ervaring. Wanneer jouw kat de bak in loopt, er direct weer uit gaat zonder iets te doen, lang aan de bak snuffelt of veel rondjes op de bak draait, dan kan het zijn dat je kat niet helemaal tevreden is met zijn of haar kattenbak.

De meeste katten hebben een voorkeur voor een grotere kattenbak dan nu standaard beschikbaar is in de winkel. Onderzoek bij grote kattenbakken wijst geen voorkeur uit voor een open bak ten opzichte van een gesloten bak. Ook lijkt er geen verband te zijn tussen een open/gesloten kattenbak en onzindelijkheidsproblemen.

Katten geven de voorkeur aan geurvrij, fijn, klontvormend (kleiachtig) grit en gebruik van dit substraat lijkt de kans op onzindelijkheid te verkleinen. Katten hebben er geen moeite mee om hun bak te delen met een andere kat als de bak maar regelmatig wordt leeggeschept.

Dus: maak je kat blij en voorkom onzindelijkheidsproblemen: schep de kattenbak dagelijks uit en verschoon hem minimaal eens per week.

Dr. Marsha Reijgwart (gedragsbioloog en kattengedragstherapeut) &
Dr. Esther Bouma (bioloog en kattengedragstherapeut in opleiding)

Referenties

  • Borchelt P, Voith V. 1996. Elimination behavior problems in cats. In: Borchelt, P., Voith, V. (Eds.), Readings in Companion Animal Behavior, vol. 1. Veterinary Learning Systems, Trenton, NJ.
  • Ellis JJ. McGowan RTS, Martin F. 2017. Does previous use affect litter box appeal in multi-cat households? Behavioural Processes 141: 284–290
  • Grigg EK, Pick L, Bibblett B. 2013. Litter box preference in domestic cats: covered versus uncovered. Journal of Feline Medicine and Surgery 15:280
  • Guy NC, Hopson M, Vanderstichel R. 2014. Litterbox size preference in domestic cats (Felis catus). Journal of Veterinary Behavior 9:78-82
  • Horwitz DF. 1997. Behavioral and environmental factors associated with elimination behavior problems in cats: a retrospective study. Applied Animal Behaviour Science 52:129-137
  • McGowan RTS, Ellis JJ, Bensky MK, McGowan FM. 2017. The ins and outs of the litter box: A detailed ethogram of cat elimination behavior in two contrasting environments. Applied Animal Behaviour Science 194: 67-78
  • Villeneuve-Beugnet V & Beugnet F. 2018. Field assessment of cats’ litter box substrate preferences. Journal of Veterinary Behavior 25: 65-70

Reageren is niet mogelijk